Wanneer Hulp?
Bij de volgende gedragingen kan het raadzaam zijn om hulp in te schakelen:
- U herkent een soort verlatingsangst bij uw kind (moeilijk afscheid nemen en steeds bij u in de buurt willen blijven).
- U merkt dat uw kind extreem bang is om anderen ook te verliezen.
- Uw kind is gesloten in gesprekken over de dood, de persoon die is overleden en afscheid nemen. Ook heeft uw kind er moeite mee om gevoelens te uiten.
- U krijgt het gevoel dat uw kind een muur om zich heen bouwt.
- U merkt dat uw kind gesloten blijft omdat het rekening houdt met gevoelens van anderen. Bijvoorbeeld met uw gevoelens.
- U herkent depressieve klachten bij uw kind. (Bijvoorbeeld minder zorg aan uiterlijk besteden, geen zin meer in school / werk, langdurige gevoelens van waardeloosheid, geen plezier meer maken, nergens zin meer in hebben, geen plannen meer maken voor de toekomst, slecht slapen).
- Uw kind gaat terug in een vorige ontwikkelingsfase, in regressie. (Bijvoorbeeld bedplassen, met een knuffel trotten terwijl het niet meer bij de leeftijdsfase past.)
- U merkt dat uw kind vriendschappen aan de kant gaat zetten. Uw kind gaat zich eenzamer voelen en kan geen steun meer van anderen aannemen.
- Uw kind zoekt uitvluchten in ongezonde dingen. (Bijvoorbeeld in drugs, alcoholgebruik, overmatig computeren of gejaagdheid, zichzelf pijn doen.)
- Uw kind heeft last van psychosomatische klachten (hoofdpijn, buikpijn, eetproblemen).
- Schoolprestaties nemen af (concentratieproblemen).
- U merkt dat uw kind extreem onzeker is geworden en weinig zelfvertrouwen heeft.