
Baby’s:
Een baby heeft geen besef van de dood. Baby’s zijn erg gevoelig voor stemmingen, angst en ze voelen spanningen goed aan.
Peuters en kleuters (2 tot 6 jaar):
Kinderen in deze leeftijd verbinden de dood met iets tijdelijks zoals slapen. De grens tussen realiteit en fantasie is vaag. Ze begrijpen nog niet dat de dood onomkeerbaar is. Het is nog een beetje als in een sprookje waarin de prins de prinses wakker kan kussen.
Basisschoolleerlingen (7 tot 12 jaar):
Kinderen begrijpen dat de dood onomkeerbaar is. Ook ontstaat er het besef dat iedereen alleen dood moet gaan, ook zijzelf. Kinderen tussen de 9 en 10 jaar kunnen erg nieuwsgierig zijn naar de dood en heel veel vragen stellen. Vragen waar we als volwassenen niet altijd een antwoord op weten of over na willen denken.
Pubers (13 tot 18 jaar):
Pubers begrijpen op een volwassen manier wat de dood is. Vooral zingevingsvragen spelen in deze leeftijdsfase een rol.
Houd er altijd rekening mee dat kinderen ook verder kunnen zijn – of minder ver kunnen zijn- in hun ontwikkeling.